Ik ben Wouter van Wieringen

WouterIn 1966 ging ik solliciteren als  leerling op Zon en Schild. In het hoofdgebouw werd ik ontvangen door de secretaresse van geneesheer directeur  Dr. D. Jacobs. De reiskosten van Zeist naar Amersfoort werden door Mevr.. Monsjou aan mij uit betaald, met het verzoek om het in het busje dat aan de wand hing voor de ontspanning van de patiënten te doen.
Er volgde toen een kennismaking gesprek met de huis predikant  Ds. Klusener, als dat gesprek niet bevredigd was kon je wel vergeten dat je de opleiding mocht doen. Een gesprek met Dr. D. Jacobs leidde er toe dat enkele maanden later een keuring  plaats vond.

Op 14 maart 1966 begonnen mijn werkzaamheden op Zon en Schild. Na ontvangst kreeg ik een slaapkamer toe gewezen op de bovenverdieping van paviljoen Bergopwaarts.De aldaar geldende huisregels werden mij verteld:

  • Koffie drinken in de personeelskamer van BO gebeurde pas als hoofdzuster de Vries  er was, en niet eerder!
  • Ging maar niet in haar stoel zitten want dan kreeg je op je kop.
  • Om 23:00 uur moest je je licht uit hebben, als het nachthoofd het zag branden kwam ze er wat van zeggen.

De maaltijden werden gezamenlijk gebruikt in het recreatiegebouw, de hoofden zaten in een aparte zaal en hadden zelfs een eigen ingang.

De preklinische opleiding, die 2 maanden duurde, werd gegeven in villa De Bolder die net buiten het terrein lag. Veel verpleegkundige handelingen werden daar geleerd. Ook ging je naar een paviljoen waar enkele patiënten op bed plaats hadden genomen zodat wij konden leren hoe wij iemand moesten wassen. De patiënten konden na afloop een  pakje shag of sigaretten halen bij de hoofdverpleegkundige van de afdeling. Wij gingen ook naar een huishoudschool in Amersfoort waar kookles werd gegeven, wat je klaar maakte moest je ook opeten!

Na de vooropleiding ging ik op de matten/borstelmakerij werken, hierna op de rotanafdeling. Daarna kwamen de paviljoens Hebron en Dennenrust waar ik vijf jaar heb gewerkt.

Het uniformpakket bestond uit: vier witte jasjes voor de ziekenafdeling en  vier bruine jasjes voor het huishoudelijke werk, hierbij waren drie pantalons. De verplegingsdienst deed alle voorkomende werkzaamheden, pas later kwamen er huishoudelijk medewerkers.
Het was hard werken, vaak in gebroken diensten, een nachtdienst duurde een week daarna was je enkele dagen vrij. Een baddienst  duurde van ’s morgens zes uur tot s ’middags drie uur, de volgende dag had je ook nog baddienst ( ongeveer 120 patiënten).

Elk jaar was er een feestdag op Zon en Schild. Een optocht met praalwagens, gemaakt door de patiënten en personeel. Het  paviljoen die de mooiste wagen had gemaakt won een prijs.

Op 9 mei 1969 behaalde ik het diploma ziekenverzorgende en 7 september 1970 werd ik bevorderd tot 1e ziekenverzorgende en subhoofd op paviljoen Dennenrust, dit met plezier gedaan tot november 1974. Daarna ging ik op de ambulance werken van Broeder de Vries in Amsterdam en later in Hilversum. Naast het reguliere ongevallen- en ziekenvervoer gingen we ook regelmatig in het buitenland patiënten ophalen die daar door ziekte of ongeval in het ziekenhuis terecht waren gekomen.
Dit tot september 2007 gedaan, sinds die tijd geniet ik van de VUT.

In 2011 organiseerde ik met enkele oud-collega’s van Zon en Schild een reünie, die dag heb ik ook het museum bezocht en vele herinneringen opgehaald. Later werd mij gevraagd of ik vrijwilliger zou willen worden en dat doe ik nu met veel plezier.